Fosfaat
Synoniem

P, anorganisch fosfaat, fosfor, PO4

Materiaal

Serumbuis met gel

Transportcondities

2 - 8°C

Dag van bepaling

Dagelijks

Time-to-result

Maximaal 24 uur na ontvangst

Uitvoerend laboratorium

Hoofdlabo Waregem

Uitbesteed ?

Nee

Bewaarcondities staal

Kamertemperatuur: 1 dag

Koelkast (2 - 8°C): 4 dagen

Diepvries (-20°C): 1 jaar

ISO 15189 accreditatie?

nee

EQC deelname?

ja

RIZIV nomenclatuurcode

540875 - 540886 B 70 Doseren van fosfaten (Maximum 1) Klasse 5

Wetenschappelijke achtergrond

In het plasma komt fosfaat in het overgrote deel voor in zijn anorganisch vorm. De overige 15% komt voor als vrije vorm, gecomplexeerde vorm of gebonden aan proteïnes. De serum concentratie van fosfaat is afhankelijk van het dieet van de patiënt, maar wordt ook sterk geregeld door hormonen zoals parathyroid hormoon (PTH), maar ook door vitamine D. Calcium en fosfaat in het serum vertonen meestal een reciproke relatie. 

Ongeveer 85% van het extracellulair anorganisch fosfaat komt voor als hydroxyapatiet, en speelt daardoor een heel belangrijke rol in de beenderstructuur.

Intracellulair komt fosfaat voornamelijk voor onder de organische vorm. Echter een kleine hoeveelheid intracellulair fosfaat komt voor onder de anorganische vorm. Deze kleine fractie is zeer belangrijk om deze een substraat vormt voor de oxidatieve fosforylering, wat uiteraard heel erg belangrijk is voor de productie van metabole energie. 

Hypofosfatemie komt voor bij vitamine D deficiëntie (bv. rachitis), hyperparathyreoïdie, malabsorptie en het syndroom van Fanconi. Hypofosfatemie is relatief veel voorkomend en komt voor bij ongeveer 1.5% van de bevolking en tot 30% van de patiënten die een chirurgische ingreep hebben ondergaan.

Hyperfosfatemie komt voor bij hypoparathyreoïdie, vitamine D intoxicatie en nierinsufficiëntie met een afname van de glomerulaire fosfaatfiltratie. Een toename van het fosforniveau veroorzaakt een daling van het calciumniveau. Het mechanisme wordt beïnvloed door interacties tussen parathormoon en vitamine D.

Wat moet ik nog meer weten?

Geen bijzonderheden

Referentiewaarden
M V
< 20 j 1.2-1.9 1.2-1.9
> 20 j 0.8-1.4 0.8-1.4
Eenheid

mmol/l

Methode

Directe meting na complexatie met molybdaat

Mogelijke interferentie

Sterke hemolyse, sterke IgM gammopathie

Benodigd staalvolume

2.5 µL

Detectielimiet

0.48 mmol/L

Toegelaten staaltypes

Serum, heparineplasma