Testen voor voedselallergie en -overgevoeligheid: Wat (niet) te doen?

 

Uit recente statistieken leren we dat ongeveer 2,5% van de Europeanen lijdt aan een vorm van voedselallergie. Bij jonge kinderen gaat dit tot ongeveer 7%. Daarentegen heeft een studie uitgewezen dat 25% van de onderzochte populatie zichzelf als “voedsel-allergisch” beschouwd. Desalniettemin het onmiskenbaar is dat gedurende de afgelopen 10 jaar er bijna een verdubbeling van het aantal gevallen van o.a. pinda-allergie werd geconstateerd, is het objectiveren van deze intoleranties zeer uitdagend zowel voor de patiënt als voor de behandelende arts.

We maken voor de goede orde onderscheid tussen voedselallergieën en voedselovergevoeligheid. Beiden zijn reacties van immunologische aard. Daarnaast spreekt men ook nog van voedselintolerantie (farmacologisch (tyramine, histamine) of enzymatisch (bv. lactose-intolerantie). Deze zijn niet immunologisch gemedieerd en de mogelijkheden op gebied van labo-onderzoek zijn daar beperkt.

Een voedselallergie is het resultaat van de humorale immuunrespons (antistoffen) en/of de cellulaire immuunrespons (T-cel-gemedieerd [type IV overgevoeligheid]). Het opsporen van IgE-antistoffen kan gebruikt worden bij het ondersteunen van de diagnose van type I overgevoeligheid. De nadruk moet echter liggen op een gedetailleerde bevraging van de patiënt en een uitgebreid klinisch onderzoek. Indien verdacht kan men overgaan tot het opsporen van IgE-antistoffen (en/of een huidpriktest). Als algemene regel geldt: hoe hoger de specifiek-IgE-spiegel, hoe groter de kans op allergie. Voor stabiele, eiwitrijke voedselallergenen (kippeneiwit, koemelk, vis, fruit, noten) is er een grote kans (>75%) op allergie bij specifiek-IgE-spiegels ≥ 0.70 kU/l, een totale gesommeerde IgE-waarde groter dan 3,0 kU/l of sensibilisatie voor minimaal 4 allergenen. Voor plantaardige voedselallergenen (met name granen en groenten) is de grens  voor de specifiek-IgE-spiegel moeilijker vast te stellen.

Let op, er bestaat een aanzienlijke kruisreactiviteit tussen verschillende allergenen. Dit heeft enerzijds implicaties voor de kliniek (bv. secundaire allergie voor kiwi bij gekende pollenallergie), maar anderzijds zien we dit ook regelmatig op vlak van serologie. Een serologische kruisreactie uit zich echter niet altijd klinisch.

De combinatie van een gerichte anamnese met een IgE screeningspanel biedt vaak al een relevant resultaat. De screeningspanels kan u aanvragen via het standaard aanvraagformulier. In geval van een positieve screening, kan het panel nadien verder worden uitgewerkt. Het uitgebreide aanvraagformulier met alle allergenen kan u op aanvraag verkrijgen (of vindt u op cyberlab). Belangrijk op te merken is dat de nomenclatuur slechts 6 specifiek IgE bepalingen per aanvraag toelaat voor terugbetaling.

Bij herhaalde blootstelling aan een antigen kan een uitgestelde overgevoeligheidsreactie optreden (“voedselovergevoeligheid”). Men gaat ervan uit dat eerder IgG-antistoffen hier een rol spelen. Deze IgG-antistiffofen, gaan echter, in tegenstelling tot IgE-antistoffen, geen mastcel-degranulatie veroorzaken. Vroeger werd beweerd dat IgG4-antistoffen wel een “anafylactische” werking zou hebben, maar dit werd inmiddels ontkracht. Een klasse-switch van IgG1 naar IgG4 wijst er namelijk op dat het lichaam een bepaald lichaamsvreemd antigen zéér vaak tegenkomt. Er worden immers anti-inflammatoire eigenschappen toegeschreven aan IgG4-antistoffen (=immunologische tolerantie-inductie) en de geïsoleerde productie (zonder IgE-antistoffen) kan dus in essentie niet samengaan met een overgevoeligheidsreactie.

Het opsporen van specifieke IgG-antistoffen (IgG1 en/of IgG4) kan gebeuren in “gespecialiseerde” laboratoria (tegen hoge prijzen), maar de resultaten zijn dubieus. Ook de geclaimde evidentie voor deze analyses bij IBS patiënten stuit op verzet in de wetenschapsgemeenschap. Gezien de wetenschappelijk evidentie ontbreekt (in tegen- stelling tot wat commerciële laboratoria soms beweren) is het meten van specifieke IgG niet zinvol als diagnosticum.

Wanneer men spreekt over voedselintolerantie, wordt ook vaak glutenintolerantie of coeliakie in één adem vernoemd. Bij een sterk vermoeden van deze aandoening kan men een sensitieve en specifieke laboratoriumtest uitvoeren, namelijk weefsel transglutaminase IgA-antistoffen. Simultaan wordt steeds een IgA-test uitgevoerd, ingeval de patiënt intrinsiek IgA-deficiëntie vertoond. Slechts in die gevallen zullen wij ook testen voor gedeamineerd gliadine IgG-antistoffen. De uiteindelijke diagnose kan pas gesteld worden na duodenale biopsie.