Vrije T4 (ng/dl)
Waarom wordt deze test uitgevoerd?

Hypothyreodie: traag werkende schildklier.

Mogelijke verschijnselen zijn:

·         Vermoeidheid

·         Kouwelijkheid

·       Struma

·         Droge, koude, bleek-gele huid.

·         Traagheid in denken en handelen.

·         Myxoedeem (bijvoorbeeld van het gezicht, dikke oogleden en enkels

·         Wenkbrauwuitval.

·         Haaruitval en broos haar.

 

 

Meestal (in 95% van de gevallen) is een te traag werkende schildklier te wijten aan een probleem in de schildklier zelf. Bijna steeds gaat het dan om een auto-immuunaandoening (zoals Hashimoto-thyreoïditis). Het kan ook voorkomen na een vroegere operatie of radiotherapie aan de schildklier. In 5% van de gevallen heeft het tekort aan schildklierhormonen te maken met een probleem bij de aanmaak van een ander hormoon dat de schildklier stimuleert om hormonen te produceren (schildklierstimulerend hormoon, TSH) in de hypofyse of elders in het centrale zenuwstelsel.

 

In sommige gevallen is een te traag werkende schildklier slechts tijdelijk. Dat is mogelijk het geval bij een ontsteking van de schildklier (subacute thyreoïditis). Hierbij volgt na een eerste fase van versnelde werking (hyperthyreoïdie) een fase van vertraagde werking. Dit kan ook voorvallen binnen het eerste jaar na de zwangerschap. Daarnaast zijn er sommige geneesmiddelen (lithium, amiodarone) die de werking van de schildklier tijdelijk beïnvloeden.

 

 

Hyperthyreodie: te vlug werkende schildklier.

Wat zijn de symptomen van hyperthyreoïdie?

·         Rusteloosheid, nervositeit, emotioneel zijn, kribbig, slecht slapen, en 'altijd onderweg'.

·         Trillen van de handen.

·         Gewichtsverlies ondanks een grotere eetlust.

·         Hartkloppingen

·         Transpireren, ongemak bij hitte en meer dorst.

 

·         Diarree of veelvuldige stoelgang (vaker dan normaal).

Hyperthyreoïdie betekent dat je schildklier te snel werkt en te veel schildklierhormoon aanmaakt. De meest voorkomende oorzaak ervan is de ziekte van Graves-Basedow. In dat geval maak je antistoffen aan tegen je eigen schildklier. Het is een ziekte die vaak hevige symptomen veroorzaakt en meestal voorkomt bij vrouwen tussen 30 en 40 jaar.

Een andere oorzaak is het ontstaan van gezwelletjes (nodules) in het schildklierweefsel. Deze gezwelletjes kunnen extra schildklierhormoon produceren (‘warme nodule’). In geval van één enkele nodule spreekt men van een adenoom of een nodus. In geval van meerdere gezwellen of een algemeen vergrootte schildklier spreekt men van een ‘goiter’, ‘krop’ of ‘struma’. Soms is een krop zo groot dat hij verder uitloopt tot onder het borstbeen (duikende krop). Nodules geven niet altijd aanleiding tot hyperthyreoïdie. Dit is geval met de zogenaamde ‘koude nodules’, want zij produceren geen schildklierhormoon.

Hyperthyreoïdie kan van voorbijgaande aard zijn, zoals bij een schildklierontsteking (thyreoïditis). Een hyperactieve schildklier kan tevens een tijdelijke reactie zijn die voorafgaat aan een te traag werkende schildklier (hypothyreoïdie).

Tot slot kan hyperthyreoïdie veroorzaakt worden door medicatie of contrastmiddelen bij beeldvormend onderzoek zoals een CT-scan.

Wat is de betekenis van het resultaat?

  • TSH normaal en vrij T4 normaal; een stoornis van de schildklier is nagenoeg uitgesloten;
  • TSH verhoogd, en vrij T4 verlaagd: hypothyreoïdie;
  • TSH licht verhoogd, vrij T4 normaal: dit wordt ‘subklinische hypothyreoïdie’ genoemd; subklinisch betekent dat de metingen licht afwijkend zijn, maar iemand nog geen duidelijke ziekteverschijnselen of klachten heeft;
  • TSH verlaagd, en vrij T4 verhoogd: hyperthyreoïdie;
  •  TSH verlaagd, en vrij T4 normaal: ‘subklinische hyperthyreoïdie’.

 

Interpretatie van afwijkende schildklierwaarden: te hoog en te laag

Het resultaat of de interpretatie van afwijkende schildklierhormoonwaarden is als volgt:

T4 FT4 T3 TSH Interpretatie
normaal normaal normaal hoog milde (subklinische*) hypothyreoïdie (trage schildklier)
laag laag laag of normaal hoog hypothyreoïdie (trage schildklier)
normaal normaal normaal laag milde (subklinische) hyperthyreoïdie (overactieve schildklier)
hoog of normaal hoog of normaal hoog of normaal laag hyperthyreoïdie (overactieve schildklier)
laag laag laag of normaal licht verhoogd, normaal of laag hypofysaire (secundaire) hypothyreoïdie**

Wetenschappelijke achtergrond

 De schildklier produceert schildklierhormoon, een hormoon dat belangrijk is voor de regulatie van onze stofwisseling.

De schildklier wordt gereguleerd door twee gebieden in de hersenen, de hypothalamus en de hypofyse, via een zogenaamd feed-back systeem. De besturing ligt in de hypothalamus, die via het hormoon TRH (Thyrotropin releasing hormone) de hypofyse aanstuurt. De hypofyse op zijn beurt reageert daarop door een ander hormoon, het TSH (Thyroid stimulating hormone), te maken, en aan het bloed af te geven, om hiermee de productie van hormoon door de schildklier aan te sturen. 

De schildklier
De schildklier maakt eigenlijk twee hormonen, namelijk de hormonen T3 (trijodothyronine, ongeveer 20%) en T4 (thyroxine, ruim 80%). Deze hormonen worden aan het bloed afgegeven. T3 is het direct werkzame hormoon, T4 is eigenlijk een soort voorloper-hormoon, dat onder andere in de lever wordt omgezet in het actieve T3. Jodium is een belangrijk bestanddeel van schildklierhormoon: T4 bevat 4, en T3 bevat 3 jodium-atomen. Als er voldoende schildklierhormoon in het bloed aanwezig is, dan wordt dat via een terugkoppeling (feedback) gesignaleerd door de hypothalamus en de hypofyse; deze verminderen hierop de productie van respectievelijk TRH en TSH (het principe van dit regelmechanisme lijkt sterk op dat van een centrale verwarming).

Als de schildklier normaal functioneert, dan is de hoeveelheid schildklierhormoon in het bloed ook normaal. De medische term hiervoor is euthyreoïdie. Wanneer de schildklierhormoon spiegel van het bloed te hoog is, wordt gesproken van hyperthyreoïdie. De term hypothyreoïdie slaat op een aandoening, waarbij de schildklier te weinig hormoon produceert.
Het grootste gedeelte van T4 en T3 is in het bloed gebonden aan eiwitten. De rest is het direct beschikbare oftewel ‘vrije’ schildklierhormoon. Bij bloedonderzoek om te bepalen hoe de schildklier functioneert wordt meestal de TSH-spiegel bepaald, en daarbij ook vaak de spiegel van vrij T4, de hoeveelheid actief T4 in het bloed. De uitslag hiervan verschilt iets per laboratorium, vanwege verschillen in de gebruikte meetmethoden.