Urinezuur
Waarom wordt deze test uitgevoerd?

Bij deze test wordt de concentratie urinezuur in het bloed (‘uricemie’) bepaald.

De arts kan de concentratie urinezuur bepalen om verschillende redenen. Een veelvoorkomende indicatie is bij vermoeden van nierinsufficiëntie (‘achteruitgang van de nierfunctie’), of de opvolging ervan. Verder kan een uricemiebepaling nuttig zijn bij vermoeden van een acute jichtaanval, of bij evaluatie van urinezuurverlagende middelen.

Andere indicaties zijn: verdenking/uitwerking van leukemie, urolithiasis (‘nierstenen’), psoriasis, evaluatie van therapie met diuretica, chemo- of radiotherapie (uitsluiten van mogelijks levensbedreigend ‘tumor lysis syndroom’ door te snelle afbraak van kankercellen).

Kan ook gebruikt worden als ‘cardiovasculaire risicofactor’, aangezien hyperuricemie in verband wordt gebracht met hart- en vaatziekten.

Wat is de betekenis van het resultaat?

Daling:

ð  >> minder frequent voorkomend; mogelijke oorzaken zijn:

o   Leveraandoeningen

o   Sommige nierziekten bv. Fanconi syndroom

o   Ziekte van Wilson (erfelijke stapelingsziekte van koper)

o   Ziekte van Hodgkin (hematologische aandoening)

Verhoging (‘hyperuricemie’):

o   Verhoogde productie van urinezuur, bvb. t.g.v.

§  Essentiële hyperuricemie

§  Toegenomen celdeling, bvb. door

·         Psoriasis

·         Lymfo/myeloproliferatieve ziekten

·         Chemo/radiotherapie

§  Hemolytische anemie (bloedarmoede door toegenomen afbraak van rode bloedcellen), bv. door glucose-6-fosfaat deficiëntie (enzymdefect)

§  Extreme fysieke inspanning, rhabdomyolyse

§  Overmatige inname van purines (eiwitrijke voeding)

§  Overmatig gebruik van alcohol

§  Metabool syndroom

§  Zeldzaam: syndroom van Lesh-Nyhan (zeldzame stofwisselingsziekte)

o   Gedaalde excretie van urinezuur, bvb. t.g.v.

§  Essentiële hyperuricemie

§  Nierfunctiestoornissen (‘nierinsufficiëntie’)

§  Acidose (‘verzuring van het lichaam’)

§  Gebruik van bepaalde medicatie (salicylaten, diuretica, pyrazinamide)

§  Pre-eclampsie (zwangerschapsvergiftiging)

§  Hypothyroïdie (verminderde werking van de schildklier)

§  Hyperparathyroïdie (overmatige werking van de bijschildklieren)

§  Overmatig gebruik van alcohol

 

§  Langdurige overmatige blootstelling aan lood

 

Wetenschappelijke achtergrond

Urinezuur is het belangrijkste metaboliet (‘afvalproduct’) afkomstig van de afbraak van nucleïnezuren, dewelke op hun beurt eindproducten zijn van de stofwisseling van purines (nucleotiden). Purines zijn bouwstenen voor het DNA/RNA en zijn aanwezig in de celkern.

Urinezuur wordt specifiek geproduceerd in de lever vanuit afbraakproducten van purines. De aanvoer van urinezuur is deels afkomstig vanuit de voeding (+/- 300 mg/dag), deels vanuit afbraak van endogene nucleïnezuren aanwezig in cellen (+/- 400 mg/dag). Deze dagelijkse +/- constante aangevoerde hoeveelheid, wordt enerzijds gebruikt voor aanmaak van nieuwe cellen, de resterende hoeveelheid wordt gemetaboliseerd en geëxcreteerd. 

De metabolisatie van urinezuur gebeurt grotendeels (2/3de) door de nieren, waarbij er een complexe combinatie plaatsvindt van glomerulaire filtratie, reabsorptie in de proximale tubulus, secretie in het distale deel van de proximale tubulus en partiële reabsorptie door de distale tubulus. Uiteindelijk wordt +/- 10% van de gefiltreerde hoeveelheid urinezuur effectief geëxcreteerd, m.a.w. 90% wordt gereabsorbeerd. Daarnaast vindt in mindere mate (1/3de) tevens excretie van urinezuur plaats door de gastro-intestinaal tractus.

Een verhoogde concentratie urinezuur (‘hyperuricemie’) in het bloed kan verschillende mogelijke oorzaken hebben (zie ‘betekenis’). Het kan enerzijds veroorzaakt worden door een overmatige productie van urinezuur (bv. < sterke/snelle weefselafbraak bij leukemie of chemo/radiotherapie, psoriasis,… ), anderzijds door een verminderde excretie van urinezuur (bv. < verminderde nierfunctie met daling van de glomerulaire filtratie).

Een overmaat aan urinezuur zorgt voor verminderde oplosbaarheid van het urinezuur en kan tot kristalvorming (‘uraatkristallen’) veroorzaken, bv. in gewrichten (‘jichtartritis’). Andere voorbeelden van pathologie gerelateerd aan de uraatkristallen, zijn urolithiasis en urinezuur nefropathie.

Belangrijk is op te merken dat jicht een klinische diagnose is, waarbij inflammatie met pijn, roodheid, warmte en opzetting van het gewricht (meestal grote teen, = MTP1) centraal staat. Bij twijfel wordt best een gewrichtspunctie uitgevoerd, waar natriumuraatkristallen kunnen worden aangetoond. Bepaling van de uricemie kan de diagnose van jicht ondersteunen, aangezien hyperuricemie een risicofactor is voor jicht. Een verhoogd urinezuurgehalte echter is niet specifiek of diagnostisch voor jicht, aangezien in 50% van de patiënten met een acute jichtopstoot een normaal urinezuur wordt vastgesteld. Omgekeerd zal niet iedereen met hyperuricemie jicht hebben of ontwikkelen.

In de literatuur wordt hyperuricemie verder ook in verband gebracht met een aantal andere pathologieën, weliswaar niet als causale factor en dus niet kristal-gemedieerd. Voorbeelden hiervan zijn: arteriële hypertensie, cardiovasculaire ziekten, metabool syndroom en achteruitgang van de nierfunctie. Het nut van urinezuurverlagende maatregelen is in deze context nog niet eenduidig aangetoond en wordt dus niet aangeraden.

Hyperuricemie op zichzelf is dus geen ziekte, maar vaak wel een indicatie voor een onderliggende aandoening of blootstelling aan bepaalde omgevingsfactor (medicatie, toxische stoffen, voeding,…) aanwezig is.

 

Er gelden verschillende referentiewaarden voor man en vrouw. Mannen hebben hogere referentiewaarden t.o.v. vrouwen, te wijten aan een toegenomen urinaire excretie door aanwezigheid van oestrogeencomponenten bij vrouwen.