TSH-receptor ab (TSI)
Waarom wordt deze test uitgevoerd?

TSI zijn antistoffen die door je eigen afweersysteem worden gemaakt. Ze laten de schildklier sneller werken. De antistoffen zijn gericht tegen de TSH-receptor. Ze zorgen ervoor dat de schildklier meer schildklierhormoon aanmaakt en sneller gaat werken. Doel: het opsporen van een auto-immuun hyperthyreoïdie.

Wat is de betekenis van het resultaat?

Verhoogde waarden:

De bepaling van anti-TSH-receptor antistoffen in serum is niet enkel klinisch relevant bij de (differentiële) diagnose van auto-immune hyperthyreosis, maar speelt ook een belangrijke rol bij de therapeutische opvolging en het vroegtijdig opsporen van herval. Lage (of afwezige) anti-TSHreceptor antistofspiegels na een ingestelde therapie duiden immers op remissie. Blijvend verhoogde waarden zijn indicatief voor de mate van ziekteactiviteit waarbij eventuele nietmedicamenteuze behandelingen (chirurgie, radiotherapie) moeten overwogen worden. Als IgGantistoffen zijn de anti-TSH receptor antistoffen in staat om via transplacentaire weg neonatale schildklierziekte te veroorzaken. Bij zwangere patiënten met gekende schildklierziekte kan de bepaling van deze autoantistoffen tijdens het 3e trimester van de zwangerschap daarom aangewezen zijn om het risico op schildklierlijden bij de neonatus in te schatten.

 

Wetenschappelijke achtergrond

De betekenis van auto-antistoffen tegen thyroglobuline (anti-Tg) en thyroidperoxidase (anti-TPO) is reeds lang gekend bij de ziekte van Hashimoto.

De auto-antistoffen gericht tegen de schildklierstimulerende hormoon receptor (thyroid-stimulating hormone receptor, TSHreceptor) worden sterk geassocieerd met de pathogenese van autoimmune hyperthyreosis. Deze auto-antistoffen kunnen de TSH-receptor binden en vervolgens activeren, zonder negatieve feedback, met chronische stimulatie van adenylaatcyclase en hierdoor overproductie van thyroxine tot gevolg.

Men spreekt in dit geval van schildklier stimulerende immunoglobulines (thyroid-stimulating immunoglobulins, TSI). Alle vormen van auto-immune thyreotoxicose (ziekte van Graves, Hashitoxicose, neonatale thyreotoxicose) vinden hun oorzaak in de productie van TSHR-stimulerende auto-antistoffen, die reeds in een pre-klinisch stadium aantoonbaar zijn.

Andere autoantistoffen kunnen de TSH-receptor blokkeren met hypothyreoïdie tot gevolg. De bepaling van anti-TSH-receptor antistoffen in serum is niet enkel klinisch relevant bij de (differentiële) diagnose van auto-immune hyperthyreosis, maar speelt ook een belangrijke rol bij de therapeutische opvolging en het vroegtijdig opsporen van herval. Lage (of afwezige) anti-TSHreceptor antistofspiegels na een ingestelde therapie duiden immers op remissie.

Blijvend verhoogde waarden zijn indicatief voor de mate van ziekteactiviteit waarbij eventuele niet-medicamenteuze behandelingen (chirurgie, radiotherapie) moeten overwogen worden. Als IgG-antistoffen zijn de anti-TSHreceptor antistoffen in staat om via transplacentaire weg neonatale schildklierziekte te veroorzaken.

Bij zwangere patiënten met gekende schildklierziekte kan de bepaling van deze auto-antistoffen tijdens het 3e trimester van de zwangerschap daarom aangewezen zijn om het risico op schildklierlijden bij de neonatus in te schatten.