Sperma antistoffen
Wetenschappelijke achtergrond

De aanwezigheid van anti-sperma antilichamen kan het fertiliserend vermogen van de spermatozoa aantasten. Spermatozoa worden in normale omstandigheden afgeschermd van het immuunsysteem door de bloed-testis barrière en worden aldus als lichaamsvreemde cellen beschouwd. Ontsteking van de genitale tractus, varicocele, cryptorchidie, testikeltorsie en auto-immuunziekten zijn de meest frequente aandoeningen die geassocieerd zijn met de anti-sperma antilichamen. Ook na een herstel-vasectomie ziet men vaak dat er antilichamen zijn gevormd tegen de spermatozoa.
Anti-sperma antilichamen kunnen de spermafunctie op verschillende wijzen beïnvloeden.
Bijvoorbeeld, agglutinerende en immobiliserende antilichamen kunnen het aantal beschikbare spermatozoa op de bervuchtingsplaats beperken. Antilichamen tegen macromoluculen op de wand van de zaadcellen kunnen interfereren met de capacitatie en de acrosoomreactie, en op die manier de bevruchting zelf verhinderen.
Antilichamen tegen intra-acrosomale enzymen zoals proacrosine-acrosine kunnen de spermapenetratie door de eicelbarrière beïnvloeden.
Anti-sperma antilichamen in semen behoren tot de IgG, IgA en meer zeldzaam de IgM klasse. Deze anti-sperma antilichamen gaan zich vasthechten aan de spermatozoa, een typisch fenomeen voor immunologische infertiliteit. De antilichamen op spermatozoa kan men aantonen door middel van de Mixed Antiglobulin Reactie (MAR) test.