Prothrombinetijd
Waarom wordt deze test uitgevoerd?

Bij deze test wordt de protrombinetijd (PT) in het bloed bepaald.

De arts zal een PT bepaling uitvoeren om de werking van de bloedstolling (coagulatie) in het lichaam te onderzoeken, bvb. in geval van patiënten met een overmatige bloedingsneiging. Een ander voorbeeld van een belangrijke situatie waarin de arts deze info wil te weten komen, is in het kader van een heelkundige ingreep (preoperatief onderzoek). Ook bij (ernstige) leverziekten is het nuttig om de PT te bepalen i.k.v. de leverfunctie, aangezien de lever instaat voor synthese van de meeste stollingsfactoren (F I = fibrinogeen, F II = trombine, V, VII, IX, X, XI).

Een andere belangrijke indicatie voor PT bepaling is de periodieke evaluatie van therapie met bloedverdunners (anticoagulantia, type vitamine K antagonisten = coumarines bvb. Marevan ®, Marcoumar ®, Sintrom ®). Voor het starten van zulke medicatie is het ook belangrijk om een uitgangswaarde te hebben. In het algemeen wordt in de klinische praktijk eerder een afgeleide gestandardiseerde waarde van de PT, zijnde de INR (‘International Normalized Ratio’) waarde, gebruikt. Op die manier is namelijk een goede vergelijking tussen waarden van verschillende laboratoria mogelijk. Orale anticoagulantia inhiberen de vorming van bloedstolsels in het lichaam en kunnen geïndiceerd zijn bij patiënten met een verhoogde kans op trombosevorming. Het is echter noodzakelijk om op regelmatige basis de PT/INR te controleren, aangezien een exacte dosering van deze medicatie obligaat is. Een onderdosering of overdosering kan namelijk leiden tot respectievelijk bloedingen en ontstaan van trombosen. De werking van orale anticoagulantia wordt bovendien ook zeer sterk beïnvloed door gebruik van sommige medicatie, voedingsproducten, ziektetoestanden etc.

Vaak zal de arts een PT-bepaling combineren met een grondige anamnese, alsook met andere merkers voor de bloedstolling, zoals het aantal bloedplaatjes, INR (een afgeleide waarde van de protrombinetijd) en de aPTT.

 

Wat is de betekenis van het resultaat?

Betekenis:

Verkorte PT:

  •  Geen klinische betekenis

 

Verlenging van de PT (‘te langzame bloedstolling’):

  •  Verhoogde bloedingsneiging

 

  • Aangeboren of verworven tekort aan stollingsfactoren uit de extrinsieke stolweg (bvb. meestal factor VII)
  • Leveraandoening (verminderde aanmaak stollingsfactoren)
  • Tekort aan vitamine K (verminderde aanmaak van vitamine K-afhankelijke stollingsfactoren), bvb. ten gevolge van:
  • verminderde inname via de voeding
  •       malabsorptie (verminderde opname via het spijsverteringssysteem) van vetten
  •  langdurig gebruik van breedspectrum antibiotica
  • Gebruik van hoge dosis heparine medicatie
  • Gebruik van antistollingsmedicatie (coumarines, DOAC’s)
  • Bepaalde types van het antifosfolipidensyndroom bvb. lupus anticoagulans (meestal è verhoogde bloedingsneiging i.p.v. tromboseneiging)
  • Diffuse intravasculaire stolling, met verbruik van stollingsfactoren, bvb. ten gevolge van:

·         sepsis

·         aanwezigheid van maligniteit

·         trauma

·         complicaties tijdens de zwangerschap

·         intravasculaire hemolyse

 

  • Nieraandoening bvb. nefrotisch syndroom (toegenomen verlies van stollingsfactoren via de nier)

Wetenschappelijke achtergrond

De protrombinetijd, afgekort als PT, is een belangrijke term in de bloedstolling. Bloedstolling is een uitermate complex proces, waarin trombocyten (bloedplaatjes) en stollingsfactoren centraal staan. Er treden opeenvolgende reacties plaats tussen verschillende stollingsfactoren, om op die manier tot het finaal resultaat van een stabiele bloedklonter (‘fibrineklonter’) te komen. De protrombinetijd is de tijd die nodig is om het bloed in vitro te laten stollen tot een fibrinestolsel, na activatie van de stollingscascade d.m.v. toevoeging van calcium, fosfolipiden en weefselfactor (tromboplastine; als stollingsactivator) aan het bloedbuisje met citraatplasma. De fosfolipiden werken als een substraatoppervlak voor de reactie. Het tromboplastine anderzijds zorgt ervoor dat stollingsfactor VII geactiveerd wordt tot FVIIa, dewelke op zijn beurt de extrinsieke stollingsroute activeert. Het bloed van de patiënt wordt bovendien afgenomen in een citraatbuisje, wat maakt dat het aanwezige calcium (in vivo aanwezig) wordt gebonden aan de zwakke chelator citraat, waardoor vroegtijdige activeren van de stollingscascade wordt geïnhibeerd. In het labo wordt na centrifugatie opnieuw calcium toegevoegd aan het citraatplasma, waardoor op een gecontroleerde manier de stollingscascade, uitmondend in een fibrinestolsel, wordt gestart.

De protrombinetijd is een maat voor de werking van de stollingsfactoren uit de extrinsieke  en de gemeenschappelijke stollingsroute en is bijgevolg gevoelig aan stollingsfactor V, VII, X, II (protrombine), I (fibrinogeen). Vitamine K is noodzakelijk als co-factor voor de aanmaak van de vitamine K-afhankelijke stollingsfactoren, zijnde factor II, VII, IX en X, t.h.v. de lever. De lever staat aldus in voor de synthese van bijna alle stollingsfactoren (fibrinogeen=FI, trombine=FII, V, VII, IX, X, XI).

De protrombinetijd wordt uitgedrukt in seconden of in %. De referentiewaarden van de PT verschillen sterk tussen laboratoria, aangezien het gebruik van het specifieke tromboplastine een grote variabiliteit kent. Op die manier is het moeilijk om waarden tussen verschillende laboratoria te vergelijken, aangezien verschillende referentiewaarden en meetwaarden van toepassing zijn. Om die reden werd een afgeleide gestandaardiseerde waarde van de PT, zijnde de INR (‘Internationalised Normalised Ratio’), geïntroduceerd. De INR is de verhouding van de PT van de patiënt, t.o.v. de (referentie) PT van normaal plasma, met een correctie voor de gevoeligheid van het gebruikte tromboplastine na ijking op een WHO-standaard (cfr. ISI-waarde).

Wat moet ik nog meer weten?

Het buisje moet tot aan de maatstreep gevuld zijn, anders vals verlengde stolling