Monocl. piek
Waarom wordt deze test uitgevoerd?

Een M-proteïne is meestal een toevallige vondst bij een routine-onderzoek, waarbij afwijkingen worden gevonden in het totaal eiwitgehalte of serumelektroforese (SEE). Bij het vinden van zo’n M-piek is het vooral belangrijk om onderscheid te maken tussen een MGUS (een monoclonale piek met een onduidelijke betekenis) en andere plasmacel- of lymfoproliferatieve aandoeningen die ook gepaard kunnen gaan met het verschijnen van een M-piek.

MGUS is aanwezig bij ca. 3>% van de bevolking ouder dan 50 MGUS (7.5% boven 85 jaar; <2% onder 40 jaar). De gemiddelde leeftijd van eerste vaststelling is 70 jaar. De diagnose komt meer voor bij mannen dan bij vrouwen, en bij patiënten van Afrikaanse of Afro-Amerikaanse afkomst (x 2-3).

Wat is de betekenis van het resultaat?

MGUS

(smoldering) multipel myeloom

morbus Waldenstrom

 

Wetenschappelijke achtergrond

Een M-proteïne is meestal een toevallige vondst bij een routine-onderzoek, waarbij afwijkingen worden gevonden in het totaal eiwitgehalte of serumelektroforese (SEE). Verdere exploratie met een immunofixatie is dan aangewezen. Bij het vinden van zo’n M-piek is het vooral belangrijk om onderscheid te maken tussen een MGUS en andere plasmacel- of lymfoproliferatieve aandoeningen, zoals (smoldering) multipel myeloom ((S)MM), Waldenström macroglobulinemie, Bence Jones proteïnurie of lichte keten SMM of primaire amyloïdose.

Bij de anamnese wordt gezocht naar symptomen die eventueel kunnen wijzen op MM, zoals botpijnen. Verder dienen zeker de volgende analyses uitgevoerd te worden ter evaluatie van de CRAB-criteria: PBO, creatinine, calcium en proteïnurie. Aanvullend worden naast de SEE ook dosage van IgA/IgM/IgG en een immunotypering uitgevoerd.

Hoe een MGUS opvolgen?

Naast leeftijd en geslacht zijn familiale antecedenten, obesitas en blootstelling aan carcinogenen voorbeschikkende factoren.

Eenmaal een M-proteïne werd ontdekt kan deze fungeren als “tumormerker”. Hiervoor moet een SEE aangevraagd worden (zonder immuuntypering). Indien het M-proteïne < 1.5 g/dl en van het IgG type is, spreken we van een laag-risico MGUS. Het risico op progressie naar MM of andere gerelateerde maligniteiten is laag. Indien de klinische evaluatie geruststellend is en de CRAB criteria afwezig zijn, is een verder onderzoek niet aangewezen. Zes maanden na de diagnose wordt best opnieuw een SEE uitgevoerd: indien geen evolutie van het M-proteïne merkbaar, is opvolging om de 2 jaar voldoende (tenzij de patiënt symptomen ontwikkelt die evolutie van de ziekte suggereren). Behandeling is niet aangewezen.

Indien het M-proteïne > 1.5 g/dl of van het IgA of IgM type is, is een beenmergpunctie bij diagnose aanbevolen om onderliggende plasmacel-aandoeningen uit te sluiten. Uiteraard is dit ook aangewezen indien de patiënt anemie, nierinsufficiëntie of hypercalciëmie vertoont (die niet op een andere manier kunnen worden verklaard), eventueel in combinatie met botpijnen of –laesies. Ook beeldvorming is dan aangewezen. Bij vermoeden van MM of Waldenströms macroglobulinemie zijn de bepaling van LDH, beta-2-microglobuline en CRP nuttig. Als alle bovenstaande onderzoeken geruststellend zijn, dient de patiënt na 6 maanden te worden opgevolgd met SEE en PBO. Daarna kan de opvolging jaarlijks gebeuren (levenslang), tenzij bij symptomen die evolutie suggereren.