Fibrinogeen
Waarom wordt deze test uitgevoerd?

Bij deze test wordt het fibrinogeen gehalte in het bloed bepaald.

De arts zal een fibrinogeen bepaling uitvoeren om de werking van de bloedstolling (coagulatie) in het lichaam verder te onderzoeken, bvb. in geval van patiënten met een overmatige bloedingsneiging. Ook bij (ernstige) leverziekten is het nuttig om de fibrinogeen concentratie te bepalen i.k.v. de leverfunctie, aangezien de lever instaat voor synthese van de meeste stollingsfactoren (F I = fibrinogeen, F II = trombine, V, VII, IX, X, XI). Bij ernstig zieke patiënten is het ook nuttig om de fibrinogeen concentratie te bepalen, om de aanwezigheid van diffuse intravasculaire stolling (DIC) uit te sluiten/aan te tonen, waarbij verbruik van stollingsfactoren optreedt.

Voordat de arts het fibrinogeen gehalte in het bloed bepaalt, zullen vaak reeds andere (meer algemene) merkers voor de bloedstolling, zoals het aantal bloedplaatjes, protrombinetijd (PT) en INR (een afgeleide waarde van de protrombinetijd) en de aPTT, gekend zijn. Het bepalen van het fibrinogeen gehalte in het bloed gebeurt dus steeds samen met, of als vervolg op, andere (meer algemene) stollingstesten.

Wat is de betekenis van het resultaat?

Daling:

o   Acuut

§  Massaal bloedverlies (verbruik van fibrinogeen)

§  DIC = diffuse intravasculaire stolling (actieve stolling in alle bloedvaten), bvb. ten gevolge van:

·         sepsis

·         aanwezigheid van maligniteit

·         trauma

·         complicaties tijdens de zwangerschap

·         intravasculaire hemolyse

§  Antistollingsmedicatie

o   Chronisch

§  Ernstige leveraandoeningen (verminderde aanmaak)

§  Hypo/afibrinogenemie (zeldzaam erfelijk tekort aan fibrinogeen)

Verhoging:

o   Situaties van inflammatie, bvb. bij:

§  Infecties

§  Acute ontstekingen

§  Maligniteiten (kanker)

§  Acuut myocardinfarct (hartinfarct)

§  Cerebrovasculair accident (CVA = beroerte)

§  Trauma

§  Postoperatief

o   Zwangerschap

Wetenschappelijke achtergrond

Fibrinogeen is een eiwit, aangemaakt door de lever, dat een belangrijke rol speelt in de bloedstolling. Bloedstolling is een uitermate complex proces, waarin opeenvolgende reacties plaatsvinden (‘cascade’) tussen verschillende stollingsfactoren, om op die manier tot het finaal resultaat van een stabiele bloedklonter te komen. De stabiele bloedklonter wordt een ‘fibrineklonter’ genoemd, een netwerk van fibrinedraden waaraan de trombocyten blijven kleven. Stollingsfactoren zijn bijgevolg noodzakelijk om, in geval van een bloeding (beschadiging van een bloedvat), een stevige fibrineklonter te kunnen vormen en de bloeding te kunnen doen stoppen. Fibrinogeen wordt ook wel stollingsfactor I genoemd en is de precursor van fibrine (stollingsfactor Ia). Fibrine is dus de geactiveerde vorm van fibrinogeen en is de hoofdcomponent van het ‘fibrinestolsel’.

Een daling van de fibrinogeen concentratie in het bloed veroorzaakt een daling van de stollingsfactor FI, belangrijk in de laatste stap van de gemeenschappelijke stollingsroute, waardoor de aanmaak van bloedstolsels moeilijker verloopt. Een extreem lage concentratie fibrinogeen (typisch < 50-100 mg/dL) kan aanleiding geven tot een verminderde klontervorming en een (mogelijks levensbedreigende) verhoogde bloedingsneiging.

Verder is fibrinogeen tevens een maat voor overmatige fibrinolyse. Een voorbeeld hiervan zijn verbruikscoagulopathieën (bvb. DIC = diffuse intravasculaire stolling, HELLP-syndroom, …), voorkomend bij ernstig zieke patiënten (bvb. op intensieve zorgen). Bij een diffuse intravasculaire stolling (DIC) vindt systemische stollingsactivatie plaats, leidend tot multiple orgaanfalen en een bloedingsdiathese (t.g.v. de trombocytopenie en lage concentratie stollingsfactoren door verbruik).

Belangrijk is te noteren dat fibrinogeen tevens een positief acute-fase eiwit is, m.a.w. een stijging van de concentratie wordt waargenomen in situaties van acute inflammatie. De spiegel fibrinogeen normaliseert dan weer bij verdwijnen van de inflammatie.