Disopyramide (Rythmodan)
Wetenschappelijke achtergrond

Disopyramide is een klasse IA-anti-arrhythmicum. Bij supraventriculaire aritmieën is het minder effectief dan bij de ventriculaire aritmieën. Disopyramide versterkt het aritmogene effect van hyperkaliëmie, waardoor een matige hyperkaliëmie levensbedreigend kan worden. Hypokaliëmie vermindert de werking van disopyramide.

Na orale toediening wordt het voor 80-100% geabsorbeerd, maar vanwege het 'first pass'-effect bedraagt de biologische beschikbaarheid 46-86%. 
De plasma-eiwitbinding bedraagt bij therapeutische plasmaconcentraties 50-90%. 
Disopyramide volgt, ook in therapeutische concentraties, niet lineaire concentratie afhankelijke kinetiek en eiwitbinding. De plasma-eiwitbinding is dosisafhankelijk en vermindert bij toenemende plasmaconcentratie. Hierdoor kan een verandering in totale concentratie een grotere verandering in farmacologisch effectieve vrije concentratie veroorzaken. Dit kan optreden bij patienten met nierfunctiestoornissen. Disopyramide wordt in de lever gemetaboliseerd door CYP3A4, voornamelijk tot de N-desalkylmetaboliet, mono-N-desisopropyldisopyramide (MND). Deze metaboliet bezit ca 50% van het anti-aritmisch effect van disopyramide maar het heeft een groter anticholinerg effect dan disopyramide zelf, nl een factor 20 hoger. MND vertoont ook niet lineaire concentratie afhankelijke eiwitbinding en het cumuleert bij nierfunctiestoornissen. Door de sterkere anticholinerge effecten van MND wordt geadviseerd naast disopyramide ook altijd MND te meten. Bij patienten met nierfunctiestoornissen wordt tevens geadviseerd de vrije fractie te meten van disopyramide en MND. Referentiewaarden voor de vrije fractie zijn niet bekend.

Redenen voor TDM van disopyramide zijn:

  • smalle therapeutische breedte, bijwerkingen kunnen bij hoog therapeutische spiegels optreden
  • bij patiënten met nierfunctiestoornissen, leverfunctiestoornissen en ernstig hartlijden kan cumulatie optreden van disopyramide en MND wat kan leiden tot toxiciteit
  • onderscheid gebrek aan effectiviteit en toxiciteit, bij toxische concentraties kunnen ritmestoornissen optreden
  • de referentiewaarden voor de dalspiegel zijn afhankelijk van de indicatie (het soort artimie): 2.8-3.2 mg/l voor atriumfibrilleren en tot 7.5 mg/l bij ventriculaire aritmieën
  • interindividuele variatie in kinetiek 
  • controle therapietrouw