Dengue IgG
Wetenschappelijke achtergrond

Antistoffen anti-denguevirus worden detecteerbaar vanaf 7 à 10 dagen na de onset van infectie. Deze analyse gebeurt steeds in parallel met NS1Ag-detectie. NS1 Ag is een vroege specifieke parameter voor denguevirus, die positiveert in parallel met de viremie (virus & NS1 Ag aantoonbaar in bloed gedurende de eerste 4 à 5 dagen na onset van symptomen), en dus afneemt vanaf dag 5 terwijl IgM-productie toeneemt. Serum IgM in denguevirus infectie zal detecteerbaar worden vanaf 7 à 10 dagen na start van symptomen en gedurende ongeveer 60 dagen aanwezig blijven. Aanwezigheid van positieve anti-denguevirus IgG-antilichamen biedt geen protectie tegen infectie met één van de andere types (dus geen kruisprotectie tussen de 4 verschillende serotypes). De secundaire denguevirusinfectie kent in het algemeen een meer intens en soms dramatisch verloop.

Dengue is de meest belangrijke "mosquito-borne" virale ziekte die mensen infecteert. Zijn globale distributie is vergelijkbaar met deze van malaria, en een geschatte 2,5 miljard mensen leven in gebieden met significant risico op epidemische transmissie. De ziekte is endemisch in Afrika, Zuid- en Midden-Amerika, en uitgestrekte gebieden in het Midden-Oosten, Azië en het Westelijk Pacific gebied. De frequentie van dengue en zijn meer ernstige complicaties (dengue hemorrhagic fever-DHF- en dengue shock syndroom) is dramatisch toegenomen sinds 1980: jaarlijks treden er een geschatte 50 miljoen infecties op (WHO fact sheet, 2008). Dengue wordt veroorzaakt door één van de 4 antigenisch te onderscheiden virale serotypes (DEN-1, DEN-2, DEN-3, DEN-4) van het genus Flavivirus. Infectie met denguevirus lokt een spectrum van symptomen uit, gaande van een non-specifiek viraal syndroom tot ernstige en fatale hemorragische ziekte. Belangrijke risicofactoren op DHF omvatten: de stam en het serotype van het infecterend virus zelf, evenals de leeftijd, de immuunstatus en de genetische predispositie van de patiënt. Bij koorts na terugkeer uit de Tropen dient in de eerste plaats aan malaria gedacht, gevolgd door denguevirus op de tweede plaats in de differentiaaldiagnose.