Directe Coombs

Waarom wordt deze test uitgevoerd?

De directe coombs wordt gebruikt voor het aantonen van antistoffen op de RBC van de patiënt. Dit is het geval bij de aanwezigheid van autoantistoffen (autoimmuun hemolytische anemie) of bij een transfusiereactie of bij pasgeborenen in geval van foetomaternele incompatibiliteit (immuun hemolytische ziekte van de pasgeborene). Dit betreft ook voornamelijk IgG antistoffen, die met behulp van het coombsreagens in vitro aangetoond worden door een agglutinatiereactie. De test wordt ‘direct’ genoemd omdat de antistoffen reeds in vivo op de RBC gecoat zijn, dit in tegenstelling tot de ‘indirecte’ coombs.

Wat is de betekenis van het resultaat?

Interpretatie DAT bij verdenking AIHA:

Positief met anti-IgG (en mogelijk zwak positief voor anti-complement): past bij warmte autoantistoffen.

Positief met anti-IgA (en vaak ook met anti-IgG): past bij warmte autoantistoffen.

Positief met uitsluitend anti-complement: past bij koude autoantistoffen, maar ook bij warmte antistoffen van IgM klasse.

 

Interpretatie DAT bij verdenking hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene (HZFP):

Bij een vermoeden op HZFP wordt met de DAT onderzocht of de patiënten-erytrocyten in vivo beladen zijn met antistoffen van IgG klasse. Antistoffen van IgG klasse worden tijdens de zwangerschap actief over de placenta van moeder naar kind getransporteerd.

Een DAT positief voor IgG toont aan dat IgG antistoffen van de moeder aan de erytrocyten van het kind gebonden zijn. Dit IgG kan gericht zijn tegen:

 

  • het rhesus D antigeen van het kind (let op: kan dit aan de moeder toegediend anti-D profylaxe betreffen?)
  • een ander bloedgroepantigeen (bijv rhesus c, rhesus E of K)
  • de ABO bloedgroep

Wetenschappelijke achtergrond

Korte beschrijving methode:

In de DAT worden de te onderzoeken erytrocyten geïncubeerd met antistoffen gericht tegen humane globulinen (antihumaanglobuline, AHG) bijvoorbeeld  gericht tegen IgG, IgA, IgM en/of complementfactoren. Polyvalent (of polyspecifiek AHG) bevat meestal anti-IgG en anti-complement. Indien er IgG-antistoffen en/of complement in vivo op de erytrocyt gebonden zijn, zal agglutinatie optreden.

Er dient monospecifiek anti-IgG en een anti-complement reagens gebruikt te worden om te onderscheiden wat aan de patiëntenerytrocyten gebonden is. Niet in alle laboratoria wordt getest op aan patiëntenerytrocyten gebonden IgA. Indien de DAT positief is, is het belangrijk om na te vragen wat er getest is.

De laboratoriumtesten die tegenwoordig gebruikt worden zijn heel gevoelig. Een DAT positief zijn, zonder dat deze uitslag relevant is voor de patiënt. Bij verdenking AIHA, en om de specificiteit van de uitslag van de DAT te verhogen dient een eluaat getest te worden.