Cardiolipine ab IgG
Waarom wordt deze test uitgevoerd?

diagnose van het antifosfolipidensyndroom

bij overklaarde thrombose

Wat is de betekenis van het resultaat?

Anticardiolipine antistoffen (ACA's) worden aangevraagd in het kader van de diagnose van het antifosfolipiden syndroom. Om de diagnose te stellen moet voldaan worden aan zowel klinische criteria (trombose of zwangerschapscomplicaties) als aan laboratoriumcriteria (positieve ACA's en/of anti-B2GP1 antistoffen en/of lupus anticoagulans, LA). Een positief resultaat moet steeds bevestigd worden na een interval van 12 weken (ISTH Sydney criteria, 2009). Multipositiviteit voor deze 3 types testen (ACA's, anti-B2GP1 antistoffen, LA) gaat gepaard met een sterkere correlatie met trombose in vergelijking met single positiviteit voor 1 van deze 3 testen.
De waarde van IgM antistoffen, van lage titers IgG antistoffen en van positieve resultaten voor ACA's in afwezigheid van een LA staat ter discussie. Vals positieve ACA resultaten worden vaak waargenomen bij inflammatoire aandoeningen.

Wetenschappelijke achtergrond

Anticardiolipine antistoffen geven een verhoogde kans op tromboses: zelfs al op jonge leeftijd. Soms komen tromboses voor in vaten waar tromboses normaal gesproken zelden optreden, zoals lever- of niervaten.  Ook bij vrouwen die meermalen een miskraam hebben doorgemaakt, worden dergelijke antistoffen nog weleens gevonden. Het antifosfolipiden syndroom is een auto-immuun ziekte en kenmerkt zich door bepaalde afwijkende bloedtests in combinatie met verhoogde bloedstolling, waardoor trombose kan ontstaan. Daarnaast kunnen patiënten met het antifosfolipiden syndroom een verlaagd aantal bloedplaatjes hebben en kunnen er vaker complicaties in de zwangerschap ontstaan, zoals herhaalde miskramen.

APS kan opzichzelfstaand voorkomen. 50% van de APS-patiënten hebben alleen APS. Ongeveer 30% van mensen die systemische lupus erythematodes (SLE) hebben, hebben ook APS.
Als men alleen APS heeft, is de kans klein dat zich later alsnog SLE erbij ontwikkelt.
 
Zoals bij de meeste auto-immuun ziekten komt APS vaker bij vrouwen voor dan bij mannen. De ziekte openbaart zich meestal tussen het 20ste en 40ste levensjaar.