Calcium
Waarom wordt deze test uitgevoerd?

De meting van calcium kan helpen bij de diagnose en behandeling van aandoeningen van de bijschildklier, beenderziekten, chronische nierziekten, nierstenen en spierspasmen. 

Wat is de betekenis van het resultaat?

Hypocalciëmie is te wijten aan de afwezigheid van of een gebrekkige werking van de bijschildklier of gebrekkige vitamine D synthese.

Hypercalciëmie wordt teweeggebracht door een toegenomen mobilisatie van calcium van het skeletstelsel (osteoporose) of een toename van de intestinale absorptie. De meerderheid van de gevallen zijn te wijten aan primaire hyperparathyroïdie, (pHPT) of beendermetastasen (borst- of prostaatcarcinomen, carcinomen van de schildklier en longcarcinomen).

Wetenschappelijke achtergrond

Calcium bevindt zich in de circulatie onder drie vormen:

  • het vrije of geïoniseerde calcium (± 50%)
  • calcium gebonden aan serumeiwitten, vooral albumine (± 40%)
  • een klein gedeelte gecomplexeerd op circulerende anionen (± 10%).

Vooral het geïoniseerd calcium is fysiologisch van belang. Hoge of lage serum eiwitconcentraties kunnen gepaard gaan met een afwijkende totale calciumconcentratie, maar de concentratie aan geïoniseerd calcium zal ongewijzigd blijven (pseudohypo- of pseudohypercalcemie). Een simultane bepaling van albumine of totaal eiwit is dus onontbeerlijk voor de correcte interpretatie van het totaal calcium.

Calcium bevindt zich samen met fosfaat in een homeostase die endocrien gereguleerd wordt door PTH en vitamine D. Een verstoring van één of meer van deze elementen zal dan ook leiden tot een afwijkende calcemie.

Een typisch voorbeeld is de neoplastische hypercalcemie: de calciumspiegel stijgt door een tumorale productie van PTH-related-proteins of 1α,25 dihydroxyvitamine D of door osteoclastische metastasen. Een overactieve bijschildklier (primaire hyperparathyroidie) is een andere belangrijke oorzaak van hypercalcemie.

Vitamine-D gebrek, hypomagnesie en bijschildklierinsufficiëntie leidt dan weer tot hypocalcemie, wat wordt gekenmerkt door krampen of zelfs convulsies.

Wat moet ik nog meer weten?

Omdat een groot deel van het calcium dat in het bloed aanwezig is gebonden is aan albumine, dient bij de interpretatie van de calciumconcentratie rekening gehouden te worden met de hoeveelheid albumine. Bij hoge albumineconcentraties zal er veel calcium aan albumine gebonden zijn. Er wordt dan een verhoogde hoeveelheid totaal calcium gemeten, terwijl de hoeveelheid geïoniseerd calcium niet verhoogd hoeft te zijn

Een bruikbare manier om snel een aangepaste calciumwaarde te berekenen is:

  • 0.02 mmol/l optellen bij gemeten calciumconcentratie bij elke gram albumine minder dan 42 g/l albumine.
  • 0.02 mmol/l aftrekken bij gemeten calcium concentratie bij elke gram albumine meer dan 42 g/l albumine (bron: Diagnostisch Kompas 2003).

Bovenstaande geldt alleen als de albumineconcentratie binnen het referentiegebied ligt.