C-peptide
Waarom wordt deze test uitgevoerd?

Bij deze test wordt de hoeveelheid C-peptide in het bloed bepaald.

De arts zal een bepaling van de C-peptide concentratie uitvoeren om de resterende insuline secretie door de bèta-cellen van de pancreas te beoordelen. Dit kan bvb. nuttig zijn bij patiënten met (pre) diabetes mellitus (type 1 of type 2). Het is echter geen routine test bij diabetes patiënten, in tegenstelling tot de glucose concentratie en het Hba1c die wel heel frequent aangevraagd worden.

Een andere indicatie voor een C-peptide bepaling is de uitwerking van een ‘lage bloedsuikerspiegel’ (‘hypoglycemie’). Zo kan men aldus het onderscheid maken tussen enerzijds een exogene bron van insuline bvb. insuline medicatie (=patiënt spuit teveel insuline; laag C-peptide) en een endogene bron van insuline (= te hoge productie van insuline door de pancreas zelf; bvb. door een insulinoom; hoog C-peptide).

Meestal zal een bepaling van de C-peptide concentratie gecombineerd worden met bepaling van de glucose en insuline concentratie, om op die manier een globaal en compleet beeld te kunnen vormen van de glucose regulatie in het lichaam.

Wat is de betekenis van het resultaat?

Daling:

o   Het lichaam produceert te weinig insuline, bvb. ten gevolge van:

 

       §  Verminderde/afwezige productie van insuline door de pancreas

bvb. bij insulinedependente diabetes mellitus  (type 1 diabetes)

§  Onderdrukte secretie van insuline
bvb. bij (overmatig) gebruik van insuline injecties

§  Pancreasoperatie (bvb. wegname van de pancreas)

Verhoging:

o   Het lichaam produceert een teveel aan insuline, bvb. ten gevolge van:

§  Type 2 diabetes mellitus

§  Zwangerschap

§  Nierfunctiestoornissen

§  Maligniteit (‘kanker’)
bvb. insulinoom (goedaardig gezwel in de pancreas dat insuline aanmaakt)

§  Inname van orale hypoglycemiërende sulfamiden (diabetesmedicatie)

§  Na transplantatie van de pancreas (zeldzaam)

§  Postprandiaal (na de maaltijd)

 

Wetenschappelijke achtergrond

Het C-peptide, ook wel het ‘connecting-peptide’ genaamd, is een polypeptide (eiwit) dat vrijkomt in de bèta cellen van de pancreas bij de aanmaak van insuline. Bij de synthese van insuline wordt de inactieve precursor, pro-insuline, namelijk gesplitst in enerzijds actief insuline en C-peptide anderzijds, beide in gelijke (equimolaire) hoeveelheden. Dit laatste betekent dat bij stimulatie van de insulinesecretie (door bvb. glycemiewaarden boven de normale range), er een vrijstelling gebeurt van insuline en C-peptide in min of meer gelijke, evenredige hoeveelheden.

Het C-peptide heeft een langere halfwaardetijd ten opzichte van insuline en wordt hoofdzakelijk door de nieren (‘renaal’) gemetaboliseerd. Bij nierfunctiestoornissen kan er dus ook een verhoogde concentratie van het C-peptide teruggevonden worden.

Het C-peptide is te beschouwen als een ‘merker’ voor de resterende endogene insuline secretie/synthese door de bèta cellen van de pancreas.

Verhoogde concentraties van het C-peptide (idem concentratie pro-insuline) worden teruggevonden in de preklinische fase van zowel type 1 als type 2 diabetes mellitus (‘insulineresistentie’), alsook in de klinische fase bij patiënten met type 2 diabetes mellitus. Bij type 2 diabetes mellitus kan het C-peptide dus zowel hoog, normaal of laag zijn, afhankelijk van de residuele insulinesecretie. Bij patiënten met gekende type 1 (‘insulinedependente’) diabetes mellitus, is er sprake van (zeer) lage basale C-peptide concentraties, t.g.v. een lage resterende endogene insulinesecretie (‘insulinedeficiëntie’) door de pancreas door auto-immune destructie van de bèta cellen van de pancreas. In de beginfase van type 1 diabetes kan het C-peptide evenwel nog hoog of normaal zijn. Men kan eventueel het C-peptide ook gebruiken als parameter zijn om de evolutie van de ziekte te volgen.  

Het C-peptide kan tevens gebruikt worden in de uitwerking van hypoglycemieën. Een handige eigenschap van het C-peptide is dat de concentratie niet beïnvloed wordt door toediening van exogeen insuline (bvb. medicatie). Zo kan men aldus de differentiaal diagnose maken tussen enerzijds een overdosering van exogeen insuline (bvb. injecties; hoog insuline, laag C-peptide) en anderzijds een te hoge insuline productie door de pancreas. Een te hoge insuline productie door de pancreas kan bvb. optreden in geval van een insulinoom, een zeldzame goedaardige neuro-endocriene tumor dewelke insuline produceert. De diagnose van een insulinoom gebeurt d.m.v. een 72u vastenproef, waarbij finaal zowel een hoge insuline als C-peptide concentratie wordt vastgesteld.  

De bepaling van het C-peptide kan plaatsvinden onder basale (nuchtere) omstandigheden, alsook na een glucagon stimulatietest.