Antithrombine III
Waarom wordt deze test uitgevoerd?

Bij deze test wordt de concentratie antitrombine in het bloed bepaald.

De arts zal een bepaling van het antitrombine-III uitvoeren om na te gaan of de overmatige stollingsneiging (zich uitend in een bloedklonter = trombose bvb. in de benen of de longen) het gevolg is van een tekort in het antitrombine-III. Vaak zal het in dit geval gaan over relatief jonge individuen (< 50 jaar). Ook wordt het antitrombine-III bepaald bij ernstige algemene aandoeningen, bvb. bij diffuse intravasculaire stolling (DIC) of bij patiënten die niet voldoende reageren op heparine (antistollingsmedicatie).

Een bepaling van het antitrombine is het meest accuraat wanneer de patiënt hersteld is van het trombotisch event en op dat moment geen antistollingsmedicatie (anticoagulantia) inneemt.

Deze stollingstest behoort niet tot de routine stollingstesten en wordt enkel aangevraagd bij heel specifieke indicaties (zie ‘klinische achtergrond’). Vaak wordt in dat geval een bepaling van het antitrombine gecombineerd met andere ‘stollingstesten’ zoals factor V Leiden mutatie (meest frequent), proteïne C, proteïne S, lupus anticoagulans en protrombine mutatie.

Wat is de betekenis van het resultaat?

Daling:

o   Erfelijk tekort (‘deficiëntie’) aan antitrombine-III

o   Verworven oorzaak:

§  Neonatale periode

§  Zwangerschap

§  Leveraandoeningen

§  Ernstige infecties (sepsis)

§  Acute fase van trombo-embolisch event

§  Diffuse intravasculaire stolling (DIC)

§  Nefrotisch syndroom

§  Medicatie, bvb. <

·         Antistollingsmedicatie (specifiek heparine)

·         Sommige chemotherapie

·         Oestrogenen (bvb. orale anticonceptie)

Wetenschappelijke achtergrond

Antitrombine-III is een glycoproteïne (eiwit), aangemaakt in de lever, dat een belangrijke rol speelt in de regulatie van de bloedstolling. Bloedstolling is een noodzakelijk proces wanneer een bloedvatwand beschadigd wordt. De productie van een bloedklonter zorgt dat verder bloedverlies voorkomen wordt en beschermt de plaats van beschadiging totdat herstel optreedt. Bloedstolling is een complex proces, waarbij trombocyten (bloedplaatjes) en stollingsfactoren centraal staan. Er treedt een cascade op van opeenvolgende stollingseiwitten waaruit finaal een stabiele fibrineklonter (bloedklonter) gemaakt wordt.  Wanneer herstel van de bloedvatwand optreedt, wordt de bloedklonter afgebroken d.m.v. het proces ‘fibrinolyse’. De bloedstolling dient zeer gereguleerd te verlopen, aangezien overmatige bloedstolling kan leiden tot bloedklonters (‘tromboses’).

Antitrombine-III zorgt specifiek voor inhibitie van de enkele stollingsfactoren uit de stollingscascade: trombine (FIIa), FXa, FIXa, FXIa, FXIIa, VIIa-TF. De rol van antitrombine-III bestaat er aldus in om een overmatige bloedstolling te voorkomen.

Een erfelijk tekort (‘deficiëntie’) van het antitrombine-III kan voorkomen, maar de prevalentie is laag (0.2%; 1 à 3% van alle VTE’s door een erfelijke oorzaak). Een antitrombine-III deficiëntie veroorzaakt, zoals gezegd, inhibitie van enkele stollingsfactoren waardoor de stollingscascade niet voldoende wordt afgeremd en het risico op VTE sterk verhoogd is (maal 20). De helft van de patiënten met een antitrombine-III deficiëntie heeft namelijk reeds op 35-jarige leeftijd een trombose doorgemaakt. In ongeveer de helft van de gevallen treedt het VTE spontaan op, maar vaak is tevens op dat moment een verworven protrombotische risicofactor aanwezig (bvb. immobilisatie i.k.v. chirurgie, orale anticonceptiepil, zwangerschap,…).  De erfelijke aandoening wordt autosomaal dominant overgeërfd en heeft een variabele penetrantie. Een tekort aan antitrombine-III kan ook een verworven oorzaak hebben (zie ‘betekenis => daling’).

Belangrijk is te onthouden dat heparine als anticoagulans zijn werking ontleent aan een specifiek sterk stimulerend effect op antitrombine-III, waardoor de stolling sterker wordt geïnhibeerd (met vnl. een verlengde aPTT tot gevolg). Patiënten met een antitrombine-III deficiëntie hebben bijgevolg hogere dosissen heparine nodig om een goede fysiologische werking als anticoagulans te kunnen bekomen.

Absolute indicaties voor testing voor trombofilieën zijn: 1ste VTE bij leeftijd < 50 jaar zonder uitlokkende factoren, positieve familiale anamnese voor trombofilieën, trombose op ongewone locatie (portale, mesenterische, cerebrale venen) en recidiverende tromboses.

 

Aangezien de erfelijke vorm op een autosomaal dominante manier wordt overgeërfd, betekent dit dat nakomelingen van een ouder met de aandoening 50% kans hebben om de aandoening over te erven.