Bij slecht werkende nieren en bij een hoge bloeddruk albumine in de urine terecht komt. Het wordt daarom ook vaak in de urine gemeten.

Waarom wordt deze test uitgevoerd?

Om te controleren of de nieren of lever beschadigd zijn. Bij een beschadiging van de nieren of de lever zal het albuminegehalte in het bloed afnemen. Daarnaast kan het geprikt worden om de voedingstoestand van een patiënt te meten. Bij uitdroging neemt het albuminegehalte in het bloed juist toe.

Wat is de betekenis van het resultaat?

Verhoging:

  • Bij uitdroging neemt het albuminegehalte in het bloed relatief toe omdat er minder vocht in het bloed zit.

Verlaging:

  • Bij een beschadiging van de nieren of de lever zal het albuminegehalte in het bloed afnemen omdat het te weinig gemaakt wordt door de lever of omdat het verloren gaat via de nieren en in de urine terecht komt.

 

 

Wetenschappelijke achtergrond

Albumine is een eiwit dat voorkomt in ons bloed. Het eiwit helpt met het transport van vele andere eiwitten, hormonen, vitamines, medicijnen en voedingsstoffen in ons lichaam. Het wordt gemaakt in de lever en is het meest voorkomende eiwit in het bloedplasma.

Als de lever is beschadigd wordt er minder albumine gemaakt. Maar ook wanneer de nieren niet goed werken, verlies je veel albumine via de urine. Daarom wordt het ook vaak tegelijk in de urine gemeten.

 

Hypoalbuminemie wordt veroorzaakt door verhoogd verbruik, verhoogd verlies, vertraagde aanmaak of een combinatie van deze drie. Albumine heeft een halfwaardetijd van 20 dagen waardoor veranderingen in concentratie relatief traag verlopen. Snelle veranderingen zijn alleen te verwachten na vocht of albumine toediening. Eiwitverlies via de nieren kan bepaald worden middels analyse van 24-uurs urine. 

Bij oudere patienten (< 70 jaar) is albumine ongeveer 20% lager. Bij liggende patienten is de albumine circa 6 g/l lager (na 30 minuten).

Bij uitdroging neemt het albuminegehalte in het bloed relatief toe omdat er minder vocht in het bloed zit.