Proteine S
Synoniem

Transportcondities

2 - 8 °C

Time-to-result

Maximaal 96 uur of 4 werkdagen uur na ontvangst

Uitvoerend laboratorium

LABO OLV Ziekenhuis

Uitbesteed ?

Ja

Bewaarcondities staal

2 - 8 °C: 8 uur

Wetenschappelijke achtergrond

Proteïne S is een glycoproteïne, aangemaakt door de lever, dat afhankelijk is van vitamine K voor diens synthese. Proteïne S is alleen actief in vrije vorm (40%), m.a.w. wanneer het niet gebonden is aan het C4b-bindend proteïne (C4b-BP), belangrijk in processen van  inflammatie (acute fase eiwit).

De vrije fractie proteïne S is een cofactor voor het geactiveerd proteïne C (APC) en zorgt aldus, samen met proteïne C, voor inactivatie van factor Va en factor VIIIa, waardoor de productie van trombine en fibrine finaal verminderd wordt en de stolling geïnactiveerd wordt. Proteïne C en S zorgen samen ook voor stimulatie van de fibrinolyse. Proteïne S en APC zorgen aldus voor tegengaan van een overmatige bloedstolling tegengegaan (soort ‘veiligheidsmechanisme’). Belangrijk is wel dat de werking van proteïne C afhankelijk is van de aanwezigheid van proteïne S en aldus maar op een efficiënte manier kan werken wanneer proteïne S voldoende voorhanden is.

Bloedstolling is een noodzakelijk proces wanneer een bloedvatwand beschadigd wordt. De productie van een bloedklonter zorgt dat verder bloedverlies voorkomen wordt en beschermt de plaats van beschadiging totdat herstel optreedt. Bloedstolling is een complex proces, waarbij trombocyten (bloedplaatjes) en stollingsfactoren centraal staan. Er treedt een cascade op van opeenvolgende stollingseiwitten waaruit finaal een stabiele fibrineklonter (bloedklonter) gemaakt wordt.  Wanneer herstel van de bloedvatwand opgetreden is, zal de bloedklonter weer afgebroken worden d.m.v. het proces ‘fibrinolyse’ d.m.v. fibrinolytische eiwitten. De bloedstolling dient zeer gereguleerd te verlopen, aangezien een overmatige bloedstolling in het lichaam kan leiden tot bloedklonters (‘tromboses’).

Een tekort aan proteïne S (‘deficiëntie’) kan veroorzaakt worden door een zeldzame erfelijke (autosomaal dominante) aandoening. De prevalentie is laag (0.1-1%; van alle VTE’s door een erfelijke oorzaak), maar vormt daarentegen wel een grote risicofactor voor het optreden van veneuze trombo-embolische events (VTE). De helft van de patiënten met een proteïne S deficiëntie zal namelijk voor de leeftijd van 35 jaar een trombose doorgemaakt hebben. Het kan dus een mogelijke oorzaak zijn van trombofilieën (verhoogde neiging tot tromboses), aangezien het proces van bloedstolling ongeremd verdergezet wordt. Dit kan bijgevolg aanleiding geven tot bloedstolsels in de bloedbaan (bv. in de benen (diepe veneuze trombose = DVT), in de longen (longembool)). Grote aandacht moet aldus geschonken worden aan bijdragende niet-genetische factoren aan trombofilie, bvb. vliegreizen, orale anticonceptie, zwangerschap, operatieve ingrepen, immobilisatie, roken, obesitas, …. 

 

Een tekort aan proteïne C kan ook een verworven oorzaak hebben (zie hieronder ‘betekenis => daling’).

Absolute indicaties voor testing voor trombofilieën zijn: 1ste VTE bij leeftijd < 50 jaar zonder uitlokkende factoren, positieve familiale anamnese voor trombofilieën, trombose op ongewone locatie (portale, mesenterische, cerebrale venen) en recidiverende tromboses. Aangezien de erfelijke vorm op een autosomaal dominante manier wordt overgeërfd, betekent dit dat nakomelingen van een ouder met de aandoening 50% kans hebben om de aandoening over te erven.

Belangrijk is te noteren dat een proteïne S bepaling, bij patiënten onder antistollingsmedicatie, enkel betrouwbaar is indien de patiënt (al dan niet tijdelijk) met deze medicatie stopt.  

aandacht moet aldus geschonken worden aan bijdragende niet-genetische factoren aan trombofilie, bvb. vliegreizen, orale anticonceptie, zwangerschap, operatieve ingrepen, immobilisatie, roken, obesitas, …. 

Een tekort aan proteïne C kan ook een verworven oorzaak hebben (zie hieronder ‘betekenis => daling’).

Absolute indicaties voor testing voor trombofilieën zijn: 1ste VTE bij leeftijd < 50 jaar zonder uitlokkende factoren, positieve familiale anamnese voor trombofilieën, trombose op ongewone locatie (portale, mesenterische, cerebrale venen) en recidiverende tromboses. Aangezien de erfelijke vorm op een autosomaal dominante manier wordt overgeërfd, betekent dit dat nakomelingen van een ouder met de aandoening 50% kans hebben om de aandoening over te erven.

Belangrijk is te noteren dat een proteïne S bepaling, bij patiënten onder antistollingsmedicatie, enkel betrouwbaar is indien de patiënt (al dan niet tijdelijk) met deze medicatie stopt. 

Referentiewaarden
M V
50-134 50-134
Eenheid

%

Benodigd staalvolume

0.5 ml

Toegelaten staaltypes

citraatbloed