Antithrombine III
Synoniem

A-III

Transportcondities

2 - 8°C

Time-to-result

Maximaal 96 uur of 4 werkdagen uur na ontvangst

Uitvoerend laboratorium

LABO OLV Ziekenhuis

Uitbesteed ?

ja

Bewaarcondities staal

2 - 8 °C: 8 uur

ISO 15189 accreditatie?

nee

RIZIV nomenclatuurcode

554094 - 554105 B 200 Doseren van de antithrombine III activiteit, exclusief de semi-kwantitatieve of immunologische methoden (Maximum 1)(Diagnoseregel 20) Klasse 12

Wetenschappelijke achtergrond

Antitrombine-III is een glycoproteïne (eiwit), aangemaakt in de lever, dat een belangrijke rol speelt in de regulatie van de bloedstolling. Bloedstolling is een noodzakelijk proces wanneer een bloedvatwand beschadigd wordt. De productie van een bloedklonter zorgt dat verder bloedverlies voorkomen wordt en beschermt de plaats van beschadiging totdat herstel optreedt. Bloedstolling is een complex proces, waarbij trombocyten (bloedplaatjes) en stollingsfactoren centraal staan. Er treedt een cascade op van opeenvolgende stollingseiwitten waaruit finaal een stabiele fibrineklonter (bloedklonter) gemaakt wordt.  Wanneer herstel van de bloedvatwand optreedt, wordt de bloedklonter afgebroken d.m.v. het proces ‘fibrinolyse’. De bloedstolling dient zeer gereguleerd te verlopen, aangezien overmatige bloedstolling kan leiden tot bloedklonters (‘tromboses’).

Antitrombine-III zorgt specifiek voor inhibitie van de enkele stollingsfactoren uit de stollingscascade: trombine (FIIa), FXa, FIXa, FXIa, FXIIa, VIIa-TF. De rol van antitrombine-III bestaat er aldus in om een overmatige bloedstolling te voorkomen.

Een erfelijk tekort (‘deficiëntie’) van het antitrombine-III kan voorkomen, maar de prevalentie is laag (0.2%; 1 à 3% van alle VTE’s door een erfelijke oorzaak). Een antitrombine-III deficiëntie veroorzaakt, zoals gezegd, inhibitie van enkele stollingsfactoren waardoor de stollingscascade niet voldoende wordt afgeremd en het risico op VTE sterk verhoogd is (maal 20). De helft van de patiënten met een antitrombine-III deficiëntie heeft namelijk reeds op 35-jarige leeftijd een trombose doorgemaakt. In ongeveer de helft van de gevallen treedt het VTE spontaan op, maar vaak is tevens op dat moment een verworven protrombotische risicofactor aanwezig (bvb. immobilisatie i.k.v. chirurgie, orale anticonceptiepil, zwangerschap,…).  De erfelijke aandoening wordt autosomaal dominant overgeërfd en heeft een variabele penetrantie. Een tekort aan antitrombine-III kan ook een verworven oorzaak hebben (zie ‘betekenis => daling’).

Belangrijk is te onthouden dat heparine als anticoagulans zijn werking ontleent aan een specifiek sterk stimulerend effect op antitrombine-III, waardoor de stolling sterker wordt geïnhibeerd (met vnl. een verlengde aPTT tot gevolg). Patiënten met een antitrombine-III deficiëntie hebben bijgevolg hogere dosissen heparine nodig om een goede fysiologische werking als anticoagulans te kunnen bekomen.

Absolute indicaties voor testing voor trombofilieën zijn: 1ste VTE bij leeftijd < 50 jaar zonder uitlokkende factoren, positieve familiale anamnese voor trombofilieën, trombose op ongewone locatie (portale, mesenterische, cerebrale venen) en recidiverende tromboses.

 

Aangezien de erfelijke vorm op een autosomaal dominante manier wordt overgeërfd, betekent dit dat nakomelingen van een ouder met de aandoening 50% kans hebben om de aandoening over te erven.

 

Test algoritme

test algoritme

Referentiewaarden
M V
80-120 80-120
Eenheid

%

Toegelaten staaltypes

citraatbloed