Advies Hoge GezondheidsRaad – Cytomegalovirus bij de zwangere vrouw

De Hoge Gezondheidsraad (HGR) heeft recent haar advies uitgesproken i.v.m. de  problematiek rond cytomegalovirus bij de zwangere vrouw (zie link op onze website). Wij grijpen de gelegenheid graag aan om de richtlijnen betreffende prenataal opsporen van CMV nog eens op te frissen.

De HGR ziet momenteel onvoldoende redenen om een prenatale screening van de zwangere vrouw voor CMV te verplichten. Desalniettemin wil men er toch op wijzen dat deze onderzoeken in de Belgische praktijk toch regelmatig (en niet ten onrechte) uitgevoerd worden, vooral om niet-immune zwangere vrouwen bewust te maken van het belang van afdoende hygiënemaatregelen.

Volgens de HGR is er onvoldoende wetenschappelijk bewijs om het serologisch onderzoek naar antistoffen herhaaldelijk uit te voeren naar antistoffen voor en/of tijdens de zwangerschap. Een eenmalig serologisch onderzoek, bij voorkeur voor de zwangerschap, kan nuttig zijn als dit vrouwen kan motiveren tot het nemen van preventiemaatregelen en als (relatieve) geruststelling bij bestaande immuniteit.

De nauwkeurigheid van de screening is goed aangezien de sensitiviteit en specificiteit van de IgG’s hoger liggen dan 99 %. De aanwezigheid van IgM’s kan een probleem zijn, omdat deze test minder specifiek is en de aanwezigheid van IgM’s niet noodzakelijk te wijten is aan een recente infectie. Het is daarom steeds aan te raden een convalescentiestaal af te nemen een tweetal weken na de eerste bloedafname (zie interpretatietabel).

tabel CMV

A Een convalescentie- of opvolgstaal wordt best 10 tot 14 dagen na de eerste staalafname afgenomen. Op deze manier kan een seroconversie of titerstijging opgespoord worden bij vermoeden van een acute infectie

B In sommige gevallen kan aanvullend een aviditeitsbepaling gebeuren, waarbij de bindingsaffiniteit van de CMV-IgG antistoffen wordt gemeten. De functionele affiniteit van IgG antistoffen is laag tijdens de eerste 5 weken van een primo-infectie, neemt geleidelijk aan toe en is meestal hoog tussen 4 en 5 maanden na de infectie. Een hoge IgG-aviditeit wijst erop dat de primaire infectie meer dan 16 weken tevoren heeft plaatsgehad; een lage aviditeit wijst niet noodzakelijk op een recente infectie gezien dit tot zelfs meer dan 12 maanden na de acute infectie kan teruggevonden worden. In geval van twijfel moet de test herhaald worden.

C De diagnose van een reactivatie is moeilijk omdat deze kan gepaard gaan met stijging van de IgG titer en opnieuw verschijnen van IgM-antistoffen, maar het kan ook voorkomen dat er geen humorale indicatoren teruggevonden worden. Het risico op congenitale CMV is echter aanzienlijk kleiner dan bij een primo-infectie.

Op basis van de evolutie van de IgM en IgG titers kan men vervolgens beter een uitspraak doen over het serologisch resultaat. Met bijkomende tests zoals IgG-aviditeit kan in sommige gevallen worden geschat wanneer de besmetting heeft plaatsgevonden en kan men dus weten of de besmetting voor of in het begin van de zwangerschap optrad. Omdat na een test nieuwe besmettingen mogelijk zijn kan een negatief screeningsresultaat nooit 100 % geruststellen.